UTRECHTSE HEUVELRUG

 

EROP UIT TIPS

Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug

Landgoed Zonheuvel is gelegen in het Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug. De Utrechtse Heuvelrug loopt als een hoge zandrug van de Grebbeberg bij Rhenen tot aan het Gooimeer bij Huizen. De stuwwal met zijn bossen en heidevelden rijst op uit het vlakke agrarische landschap. Het zuidelijk deel van de Utrechtse Heuvelrug is aangewezen als Nationaal Park (ca. 10.000 ha). Naast de stuwwal horen ook de uiterwaarden van Amerongen bij het Nationaal Park. Het is een gebied van bossen, buitenplaatsen en ‘bergen’.

Historie
De Utrechtse Heuvelrug is in de voorlaatste ijstijd (Het Saalien) circa 150.000 jaar geleden ontstaan. Vóór die tijd stroomden Rijn en Maas verder naar het noorden dan tegenwoordig. Ongeveer op de plek waar nu de Gelderse Vallei ligt. Voor de grote ijsverschuiving hadden deze rivieren daar dikke lagen zand en grind afgezet. Ook werden de rivierafzettingen opgestuwd tot hoge stuwwallen.

Darthuizerpoort

Aan de rand van het ijs zocht smeltwater zijn weg door zwakke plekken in de stuwwal en er ontstonden ijssmeltwaterdalen. Een mooie voorbeeld is bij de Darthuizerpoort te Leersum. Het sediment dat door deze smeltwaterstromen geërodeerd werd, werd in grote zandvlakten aan de westrand van de Utrechtse Heuvelrug afgezet. Dit verklaart waarom de helling aan deze kant veel flauwer is dan aan de oostkant. Op deze sandurs zijn ook zwerfkeien te vinden die mee gespoeld zijn met het smeltwater uit de ijskap.

Darthuizerpoort

Darthuizerpoort

Landgoed Den Treek

In het Weichselien (laatste ijstijd) kwamen de gletsjers niet tot in Nederland, maar was de bodem wel permanent bevroren (permafrost). Door de heersende harde winden werden lagen dekzand afgezet. Hierdoor breidde de Heuvelrug zich een stukje naar het oosten uit. Het gebied ten oosten van de Leusderheide bijvoorbeeld (landgoed Den Treek), behoorde aanvankelijk tot de Gelderse Vallei maar werd in deze periode opgehoogd met het dekzand.

Landgoed Den Treek

Stuifzand

Boven op de Utrechtse Heuvelrug vond erosie plaats. Door de aanwezigheid van permafrost in het voorjaar kon smeltwater van de sneeuw niet makkelijk in de ondergrond infiltreren. Het gevolg was dat het water zich ging concentreren in stromen en de ondergrond ging eroderen waardoor de sneeuwsmeltwaterdalen (of droge dalen) gevormd werden. De Rijn erodeerde de stuwwal aan de zuidkant, dit komt nu nog tot uiting in de steile helling van de Grebbeberg.

Toen het klimaat na de laatste ijstijd warmer werd, is het gebied bebost geraakt. Tijdens de Late Steentijd nam de bevolking met name in de hoger gelegen delen van Nederland zoals de Utrechtse Heuvelrug sterk toe. Het bos werd gekapt om landbouw en veeteelt te bedrijven. Vanaf de IJzertijd tot de Vroege middeleeuwen verplaatste de landbouw zich geleidelijk naar lager gelegen gebieden en kreeg de veeteelt de overhand. Op de droge heuvelrug ontstonden heidevelden en stuifzanden. Pas in de negentiende en twintigste eeuw werden op grote delen opnieuw bossen aangelegd. De Utrechtse Heuvelrug is een aardkundig waardevol gebied.

Doornse Gat - Utrechtse Heuvelrug

Bossen

Hoewel ze als eenvormige productiebossen zijn aangelegd, hebben veel bossen zich inmiddels ontwikkeld tot interessante ecosystemen. Met het ouder worden van het bos en gericht beheer komt er geleidelijk meer variatie, zowel in boomsoorten als in de ruimtelijke opbouw. Staande en liggende dode bomen zijn habitat en voedselbron voor insecten, vogels, varens en paddenstoelen. Er is steeds meer ruimte voor inheemse boomsoorten zoals berk, eik en beuk.

In de oudere en nattere bossen in de Heuvelrug vinden we hulst, dalkruid en hengel; in sommige hellingbossen ook bosanemoon. In de hellingbossen op de overgangen naar de uiterwaarden groeien onder andere bosanemoon, kardinaalsmuts, slangenlook en maarts viooltje.

‘De omgevallen boom’ op Landgoed Zonheuvel. Om deze boom staat een perceel met Douglas sparren, onderdeel van een stuk productiebos gepland door Maarten Maartens. Deze bomen werden o.a. verkocht aan Limburg, waar het hout werd gebruikt voor mijnen in dat gebied.
Kaapse Bossen - Utrechtse Heuvelrug

Heide, vennen en stuifzanden

Naast de bossen komen er in het Nationaal Park relatief veel heideterreinen, vennen en stuifzanden voor. Langs de Leersumse Plassen liggen de natte heidevelden met dopheide, grote wolfsklauw, zonnedauw en klokjesgentiaan. In het Kombos in Maarsbergen vind je hier en daar gagel, een struik van de nattere zandgronden met heerlijk ruikende knoppen. Op Breeveen bij Leersum en de Remmerdense Heide bij Rhenen groeit vooral struikheide. In de zomer hoor je er de boomleeuweriken.

De schrale bodem is het domein van de zandhagedis, hazelworm en bijzondere insecten, waaronder loopkeversoorten. Aan de randen van het stuifzand vinden we korstmossen, zandzegge en buntgras. De voormalige akkers van Plantage Willem III bij Rhenen ontwikkelen zich onder invloed van begrazing tot soortenrijk schraalland. De ecopassage onder de N225 verbindt het natte en rijke begrazingsgebied van de uiterwaarden met het droge ecosysteem van de stuwwal.
De vennen, natte heidevelden, poelen en de voormalige eendenkooi in het Kombos zijn de biotoop van de amfibieën en reptielen. Van de vijftien soorten die in Nederland voorkomen leven er acht in het Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug, waaronder de ringslang en de rugstreeppad.

Kaapse Bossen - Utrechtse Heuvelrug

Graslanden en Kasteel Amerongen

Naast kasteel Amerongen liggen cultuurgronden die traditioneel beweid worden. Het grootste deel van de Amerongse Bovenpolder wordt gevormd door ‘wilde riviernatuur’. Jaarrond begrazing door paarden en runderen en de periodieke overstromingen zijn de processen die het landschap vormgeven. Rond 2000 is er een zogenaamd kwelmoeras aangelegd. Dat moeras wordt gevoed met regenwater dat in de zandige heuvelrug valt en na een heel lange tijd als schoon water aan de randen van de stuwwal naar buiten sijpelt. De afgelopen tijd is er een spectaculaire vogelrijkdom ontstaan met o.a. blauwborsten, slobeend, grote karekiet en watersnip. In het westelijk deel van de Bovenpolder broeden ook patrijs en kwartelkoning. Zo nu en dan worden er zelfs de vis- en zeearend waargenomen.

Bodem
De bodem van de Utrechtse Heuvelrug is te verdelen in zandgronden, eerdgronden en riviergronden. De kern van de heuvelrug bestaat uit arme zandgronden met een wisselend leemgehalte. Het grootste deel betreft de zogenaamde podzolgronden. Daarnaast komen in de stuifzandgebieden de zogenaamde vaaggronden voor, daar heeft nog vrijwel geen bodemvorming plaatsgehad.

Kasteel Amerongen

Dieren

Het Nationaal Park is omringd en doorsneden door wegen. Dit maakt het voor dieren lastig om zonder kleerscheuren van de ene kant naar de andere kant van het gebied te komen.Toch komen er veel dieren voor in het Nationaal Park.

Das
De das leidt een meer verborgen leven. Er zijn al enkele burchten in het gebied gevonden. Het aantal dassen binnen het Nationaal Park lijkt te groeien, maar is nog altijd gering van omvang en kwetsbaar. Het aantal staat onder druk van het verkeer en te intensief agrarisch gebruik van de graslanden.

Eekhoorn
De rode eekhoorn leeft voornamelijk in uitgestrekte naaldbossen en gemengde bossen waarin naaldbomen overheersen. Ze komen ook voor in parken en tuinen.  De grijze eekhoorn verschilt met de rode eekhoorn door zijn grijze vacht, een grovere bouw en kleinere oorpluimen.Van nature bewoont hij het oosten van de Verenigde Staten. Als exoot komt hij inmiddels ook voor in het westen van de Verenigde Staten, in zuidelijk Afrika en in delen van Europa, waaronder het Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug.Als Europeaan is de grijze eekhoorn tamelijk succesvol, en de mogelijkheid bestaat dat hij talrijker wordt dan zijn autochtone neefje, de rode eekhoorn. De grijze eekhoorn is groter en sterker dan de rode eekhoorn. Hij gaat op een meer efficiënte manier om met zijn voedsel (zowel alvorens het te consumeren als daarna) en heeft betere overlevingskansen dan de rode eekhoorn.

Marters
In de boomtoppen zijn de eekhoorn en de zeldzame boommarter te vinden. Vooral de boommarter stelt hoge eisen aan zijn leefomgeving en voor hem valt er nog wel wat te verbeteren. Tot en met de jaren ’50 waren er waarnemingen bekend. Tussen de jaren ’50 en ’80 leek hij (vrijwel) verdwenen. Sinds de jaren ’80 is de boommarter weer in het gebied gevestigd. Er zijn ook andere marterachtigen te vinden: de bunzing, de wezel en de hermelijn.ReeHet grootste zoogdier dat in het Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug leeft is het ree. De stand is behoorlijk hoog: zo’n 5 tot 10 reeën per honderd hectare. Van de roofdieren komt de vos het meest voor.

Reptielen
De levendbarende hagedis en zandhagedis zijn vrij algemeen in het Nationaal Park. Ze leven op de heide en in stuifzandgebieden, maar maken ook gebruik van de brede, zonnige wegen door het bos om zich te verplaatsen. Ook de hazelworm komt in het gehele gebied voor. Bij het water vindt u de bruine kikker en de gewone pad. De heikikker komt alleen voor op het Leersumse Veld en hier en daar op de randen van de heuvelrug. In vennen en poelen komen de grote en de kleine watersalamander voor.

Vogels
Een groep die zich makkelijker laat zien zijn de vogels. Er broeden meer dan 100 vogelsoorten in het Nationaal Park. De meest zeldzame soorten komen voor bij het water. Op en langs de vennen van het Leersumse Veld broeden o.a. de geoorde fuut, de dodaars, de blauwborst, geelgors en wintertaling.Bij kasteel Amerongen ligt de Amerongse Bovenpolder, van het Utrechts Landschap. Daar is door graafwerk een zogenaamd kwelmoeras gemaakt. Zuiver water uit de stuwwal komt daar naar boven. Hier kunt u bijzondere vogelsoorten zien als de lepelaar, watersnip, zomertaling, tureluur, waterral, porseleinhoen, kleine plevier en grote aantallen kluten. Zelfs de visarend, de kwartelkoning en zeer recent ook het woudaapje zijn er gesignaleerd.In de bossen komen vogels vooral voor in oudere bomen, landgoedbossen en lanen. De glanskop, boomklever, kleine bonte specht, groene specht, en de grauwe vliegenvanger zijn opvallende soorten van de loofbossen. In de oudere naaldbossen zijn zwarte mees, kuifmees, vuurgoudhaan en kruisbek aan te treffen. De raaf heeft na een herintroductie in de jaren zeventig zijn plek weer gevonden op de Utrechtse Heuvelrug. Door het ouder worden van de bossen en een gericht beheer worden de bossen steeds rijker aan vogels. De zwarte specht – die steeds meer voor komt – is een goede graadmeter voor de natuurwaarde van bossen. Uitgehakte holen in bomen zijn later geschikte verblijfplaats voor bijvoorbeeld vleermuizen of boommarters.

Vlinders en libellen
Heidevelden, schrale graslanden en vennen zijn een prima leefgebied voor vlinders en libellen. Hier vinden we heideblauwtje, heivlinder, maanwaterjuffer, venglazenmaker, venwitsnuitlibel en de noordse witsnuitlibel. > Kijk voor recente waarnemingen op Waarneming.nl

Dieren op Landgoed Zonheuvel

Er zijn 100+ soorten vogels te vinden in het Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug, waaronder deze zanglijster.

Ree gesport op Landgoed Zonheuvel

Een oplettende bezoeker Hotel Landgoed Zonheuvel spot een jonge reebok op de parkeerplaats van Landgoed Zonheuvel.